naar hoofdinhoud
Huib Koeleman Logo

Stop niet met inclusieve campagnes, maar doe het bewuster

Auteur Huib Koeleman
duim omhoog in een groen vak duim naar beneden in rood vlak

Stel, je maakt als gemeente een verkeerscampagne met echte inwoners. Een leuke diverse groep aan inwoners doet mee. Eén persoon draagt een hoofddoek. Maar een omroep of social media pikt dat ene beeld eruit. Wat gebeurt: het commentaarveld ontploft.

Laten we eerlijk zijn over wat er dan gebeurt. Een deel van die reacties is niet “kritisch” of “ontevreden.” Het is ronduit racistisch. Opmerkingen die mensen reduceren tot hun uiterlijk, hun religie of hun afkomst. Dat is geen mening over een campagne. Dat is discriminatie. En dat verdient geen genuanceerde weging of relativering, maar een heldere kwalificatie: het is fout.

Helaas is dit geen fictief voorbeeld. Het gaat soms echt zo. Communicatieprofessionals kijken naar die stroom en trekken soms de verkeerde conclusie: doe het maar niet meer. Dat is begrijpelijk. Maar het is ook precies het verkeerde antwoord.

Wat die commentaarvelden écht laten zien

De 90-9-1-regel geldt online: 90% leest, 9% reageert af en toe, 1% domineert het gesprek. En die 1%? Dat zijn zelden de genuanceerde mensen. Boosheid en haat zijn sterkere motivaties om te reageren dan instemming of onverschilligheid.

Wat je ziet in een commentaarveld is geen opiniepeiling. Het is een selectie van de meest gemotiveerde stemmen. Dat neemt niets weg van de ernst van racistische reacties, maar het betekent wel dat je die reacties niet moet verwarren met wat “de samenleving” vindt.

Selectieve framing door media

Het probleem zit bovendien zelden in de campagne zelf. Veel van dit soort campagnes zijn communicatief goed opgezet: echte mensen, lokale verankering, namen erbij. Maar media kiezen het ene beeld met de meeste reactiepotentie. Het frame van “verkeersveiligheid” of “gezonde leefstijl” wordt vervangen door het frame van “islam en immigratie.” En moslimhaat is bijna normaal geworden. Dat is een medialogica-probleem, geen campagneprobleem.

Maar het raakt wel een bestaande maatschappelijke spanning: de normalisering van moslimdiscriminatie in het publieke debat. Die spanning maakt campagnes kwetsbaar, ook als ze communicatief goed in elkaar zitten.

Wat heeft dit gedaan met degene op de poster?

Iemand die meedoet aan een campagne tekent voor een foto. Niet om doelwit te worden van racistisch commentaar op sociale media. Die twee dingen zijn fundamenteel verschillend, en organisaties doen te vaak alsof ze hetzelfde zijn. Heeft de organisatie die persoon vooraf gewaarschuwd? Heeft iemand ná de storm de telefoon gepakt? Dat zijn vragen die we ons te weinig stellen. En dat is precies waar deze blog ook over gaat: inclusieve communicatie gaat niet alleen over wie je laat zien, maar ook over wat je doet als die zichtbaarheid omslaat in haat.

Maar dan toch niet doen?

Makkelijker, toch? Gewoon geen vrouw met een hoofddoek op een poster. Geen transgender persoon in een video. Geen mensen met een beperking als gezicht van een campagne. Dan heb je geen gedoe. Maar als je campagnes zo ontwerpt dat ze alleen veilige gezichten tonen, pas je je aan aan de luidste stemmen. En je geeft daarmee een signaal aan iedereen die in die campagne herkend had kunnen worden: jij hoort er kennelijk niet bij.

Organisaties die diversiteit schrappen uit angst voor online kritiek, geven die kritiek meer gewicht dan ze verdient. Ze valideren daarmee impliciet het idee dat bepaalde mensen niet “normaal” genoeg zijn om op een poster te staan. Dat is geen neutrale communicatiekeuze. Dat is een politieke keuze.

De ethische vraag: informed consent

Er is een vraag die we eerlijk onder ogen moeten zien: kun je dit iemand eigenlijk aandoen? Iemand die meedoet aan een campagne tekent voor toestemming voor een foto. Niet voor de rol van doelwit op sociale media. Informed consent betekent hier meer dan een handtekening onder een modellenformulier. Het betekent een gesprek.

Dat gesprek gaat over: wat wordt er gepubliceerd en waar, van de gemeentewebsite tot billboards tot sociale media. Het gaat ook over de risico’s: “Er kunnen discriminerende reacties komen. Dat is niet jouw schuld, maar we willen dat je het weet.” En het gaat over een expliciete keuze: wil je dit? Je kunt altijd nee zeggen. Zonder consequenties. Zeg ook wat de organisatie doet als het escaleert: wie belt er, wat bieden jullie aan, hoe lang blijven jullie bereikbaar?

Als dat gesprek niet heeft plaatsgevonden, sla je als campagneteam een belangrijke stap over. Niet door die persoon te vragen als model, maar door hem of haar niet voor te bereiden op wat er kan komen. Zolang organisaties geen protocol hebben voor wat er ná de lancering gebeurt, is het ethisch wankel om mensen met een zichtbare minderheidsidentiteit in campagnes te zetten.

Check de consequenties.

Je zet iemand in het middelpunt die niet iedereen vanzelfsprekend vindt. Dat is geen reden om het niet te doen. Het is een reden om het goed te doen.

Het protocol: vóór én ná de lancering

Goede voorbereiding betekent dat je intern en extern weet wat je doet als het escaleert.

Intern: zorg dat er één aanspreekpunt is, niet “de afdeling.” Bepaal wie de sociale media in de eerste 48 uur na lancering bewaakt. Weet wat de escalatielijn is als iemand wordt bedreigd. En zorg dat de modellen altijd als eerste worden geïnformeerd als er iets misgaat.

Extern: maak een FAQ klaar met het verhaal achter de campagne. Wie zijn deze mensen, waarom zijn zij gevraagd, wat is het doel? “Dit zijn mensen uit onze stad. De campagne laat zien hoe divers onze gemeenschap is.” En bereid een standaardreactie voor op het identiteitsdebat: één zin die je terugbrengt naar de kern van de campagne, zonder het identiteitsdebat in te gaan.

Hoe reageer je op racistische reacties?

Benoem ze, maar ga er niet over in discussie. Reageer zakelijk: “Reacties die mensen dehumaniseren verwijderen we.” Niet meer, niet minder.

Keer altijd terug naar het campagneframe. Niet: “Wij zijn ook voor diversiteit en inclusie.” Dat is het identiteitsdebat ingaan en terrein verliezen. Wel: terug naar het gedeelde belang, de kinderen die oversteken, de wijk, de campagneboodschap. Verwijder racistische content actief, maar doe het zorgvuldig. Stel een moderatiebeleid op en publiceer het ook. Zo maak je duidelijk dat je grenzen stelt zonder in de slachtofferrol te vallen.

Wat je verder kunt doen

Naast het protocol zijn er een paar principes die het verschil maken:

  1. Toon de hele reeks meteen. Eén gezicht wordt een symbool. Meerdere gezichten worden een gemeenschap. Lanceer niet één poster, maar het geheel.
  2. Begin bij het probleem, niet de persoon. Leg eerst de campagneboodschap neer, dan pas de mensen die die boodschap dragen. Dan is de inwoner een drager van de boodschap, niet het onderwerp ervan.
  3. Leg het concept uit. Vertel actief dat er meer uitingen zijn. Dat voorkomt dat één beeld de hele campagne gaat vertegenwoordigen.
  4. Ga het identiteitsdebat niet in. Als de discussie verschuift naar religie, afkomst of nationale identiteit: niet meegaan. Terug naar de kern.
  5. Blijf betrokken bij de mensen die je hebt gevraagd. Na de lancering, niet alleen ervoor.

De eigenlijke les

Communicatieprofessionals die na dit soort incidenten besluiten “nooit meer” trekken de verkeerde conclusie. Het eigenlijke probleem is niet de poster. Het is een maatschappelijk klimaat waarin discriminatie steeds gewoner lijkt te worden en media daar gretig op inspelen. Dat kun je als communicatieprofessional niet volledig voorkomen. Maar je kunt je er wél op voorbereiden. En je kunt weigeren om de verkeerde partij te laten winnen door diversiteit uit je campagnes te schrappen. Denk daarbij ook na over de diversiteit van het team communicatie.

Tot slot

Elke keer dat een organisatie gewoon doorgaat en een campagne maakt die de werkelijkheid weerspiegelt, is dat een keuze. Niet als statement. Niet als symboliek. Maar als vanzelfsprekendheid. Die vanzelfsprekendheid bouw je niet op door te wachten tot het veilig voelt. Je bouwt haar op door te blijven doen. En door de mensen die je daarbij vraagt te staan, ook echt te steunen als het tegenzit.

De toets van inclusieve communicatie is niet: durven we dit te laten zien? Maar: durven we ook te blijven staan als het schuurt? Vraag gerust iemand model te staan voor een inclusieve campagne. Maar doe het bewust. Bespreek het goed. Zorg dat je niet alleen een beeld maakt, maar ook een relatie aangaat.

Ga door. Maar doe het met open ogen.

Huib Koeleman

Gerelateerde items

Naar de kennisbank